Met de 4×4 slingeren door de Amerikaanse canyons is een indrukwekkende ‘scenic drive’. Het westen van de Verenigde Staten valt een zekere pocherij te verwijten. “Zie ons hier eens liggen”, lijken de nationale parken te willen zeggen. Maar met recht. De geologische wereldwonderen in de Amerikaanse staten Utah, Colorado, Nevada en Arizona zijn zowel overrompelend, uitdagend als ondoorgrondelijk. Een poging tot kennismaking.

Tip van Omnia Travel

Wild West at it's best! De grilligheid van de natuur!

Adembenemende, haast onbeschrijfelijke landschappen, grillige canyons, hoge rotswanden, sierlijke rotsbogen, imponerende tafelbergen, slingerende meanderbochten, eindeloze vertes. De aarde als het ware opengereten en geboetseerd door de eindeloze kracht van water, wind en temperatuur. Het Amerikaanse wilde westen is ‘awesome’ en een echte ‘must see’! De ‘Grand Circle Tour’ combineert de mooiste nationale parken van Utah en Arizona. Men kan het circuit zowel starten in Salt Lake City als in Las Vegas of Phoenix. En wees gerust, er is geen overkill of overdaad aan nationale parken want ieder park heeft eigen specifieke kenmerken en uitzichten die niet met andere parken te vergelijken zijn. Elk natuurpark is uniek! De Grand Canyon is wel een must indien men de regio voor de eerste maal bezoekt, al wordt het wow-effect wat getemperd omdat het beeld van de Grand Canyon misschien al lang in het geheugen van de bezoeker opgeslagen ligt. Veel spectaculairder en overweldigender is Bryce Canyon, dat de meeste reizigers als het echte hoogtepunt van de reis ervaren. Maar ook de andere parken zijn zonder meer grandioos. Navajo Nation, het grootste indianenreservaat van de VS, met zijn unieke natuurlandschappen en verschillende interessante sites van historisch-culturele waarde weten onze reizigers altijd te waarderen.

PRIJS

  • 14-daagse rondreis buiten het hoogseizoen
  • Lijnvluchten in economy klasse
  • Een middenklasse huurwagen met onbeperkte kilometers
  • Alle taxen en de CDW-verzekering inbegrepen
  • De accommodatie in goede toeristenklasse hotels of motels nabij de parken
  • 1.840 EUR per persoon op basis van een gedeelde 2-persoonskamer in logies

De Omnia Travel Noord-Amerika specialisten kennen de VS en Canada door en door, zowel van oost naar west als van noord naar zuid. Zij stellen graag een volledig individueel programma voor u op.

TIPS

  • Alle parken kunnen zowel op de ‘easy way’ bezocht worden met de huurwagen langs de verschillende uitzichtpunten of echt ‘outdoors’, meer avontuurlijk en sportief, met wandeltochten of trekkings. Daardoor leent de reis zich voor reizigers van zowat alle leeftijden.
  • Belangrijk is voldoende tijd uit te trekken om van de natuur te genieten. Het mag niet de bedoeling zijn om dagenlang alleen maar kilometers af te leggen en meerdere parken op dezelfde dag te combineren zoals in sommige reisprogramma’s beschreven.
  • Reken voor een basisrondreis op minstens 14 dagen. Wil men de bezoeken optimaliseren, ook minder bezochte pareltjes aandoen en onze insider tips volgen, dan rekent men best op minimum 17 dagen.
  • De ideale reisperiode voor de ‘Grand Circle Tour’ gaat van half juni tot eind september met juli en augustus als topseizoen. Vroeg reserveren is altijd de boodschap.
  • Vereiste documenten voor elke VS-reiziger: een geldig internationaal paspoort en een ESTA-autorisatie. Voor het besturen van een huurwagen is een kredietkaart als garantie nodig en een geldig nationaal rijbewijs dat leesbaar moet zijn in het Engels (Europees model).

Bovenstaande is een indicatie. Uiteraard werken wij met veel plezier een op maat gemaakte offerte voor u uit. Prijzen zijn afhankelijk van het ogenblik van reservatie en onder voorbehoud van beschikbaarheid.

Dit is maar één reis uit de vele mogelijkheden, wenst u graag een ander voorstel

Inschrijvingsformulier Aanbiedingen - Form in Post
Sending

Of boek uw reis naar de Verenigde Staten online

Huurauto boeken

Praktisch

Hotels in overvloed onderweg, maar op voorhand reserveren is allesbehalve een slecht idee. Hou er rekening mee dat je in alle parken toegangsgeld dient te betalen en dat die rekening aardig oploopt. Benzine is goedkoper dan in België en het gebruik van de kredietkaart is overal ingeburgerd. Onze zomerperiode is ook ginds de beste reisperiode, maar het hoogseizoen is druk. Vanwege de hoogte en het dikwijls gure weer zijn de wintermaanden af te raden, of je moest op een eenzaam en spannend avontuur uit zijn. Ook de lente en herfst kunnen verrassend frisse nachten in petto hebben.
Grand Junction is een handige maar kleine invlieghaven, met beperkt vluchtaanbod. Het aanbod naar het noordelijker gelegen Salt Lake City is groter, maar vergt meer autotransfer. Als eindstation kan je voor het wulpse Las Vegas opteren en er het aangeraden Death Valley bijnemen.
De spelregels onderweg zijn duidelijk: de Park Rangers zijn baas. Hun wil is wet.

Amerika

Koffie met dé Robert

Vroeg begonnen is half gewonnen. We verlaten Salt Lake City nog voor de ochtendspits via Highway 15 South om een uur later in Provo koffie te drinken op het terras van het Sundance Mountain Resort. Deze persoonlijke Wild West van acteur Robert Redford, in 1967 voor een prikje gekocht van een indianenstam, is nu een zeer gegeerd hotel in de regio. Al zegt Redford daarover zelf: “It’s not a resort, it’s a lifestyle experience.” Wij nuanceren dat marketingpraatje. Het geheel doet eerder denken aan een megavakantiefabriek inclusief een zipline en een conventiecenter. Maar… de koffie is lekker! En dan geven we onze Avis Lincoln de sporen. Highway 191 brengt ons tot Canyonlands, het eerste National Park van de reis. Dit weidse rotsgebied, ooit een schuilplaats voor bandieten, is verdeeld in drie regio’s die je -typisch Amerikaans- alleen per wagen kunt doorkruisen. Musts zijn Island in the Sky en Dead Horse Point. Mooi, maar opwarmers, beseffen we. In de late namiddag zakken we af tot Moab, kiezen route 128 en leggen ons hoofd te rusten in de Sorrel River Ranch.

Een lesje van de natuur

De zonsopgang vanop het terras van de ‘units’ is schitterend. De bergen kleuren van dieprood tot oranje en de snel opkomende zon werpt immense lichtvlekken en harde schaduwlijnen. Na een portie spek met eieren om u tegen te zeggen, zetten we koers naar het Arches National Park, bijgenaamd het Jurassic Park van Utah. Zeer waarschijnlijk laat geen enkele reeks ‘auto-viewpoint-stops’ zulke blijvende indrukken na als dit, soms wat vergeten, natuurgebied. Blikvangers zijn de fragiele zandsteenbogen en rotsnaaldogen die in Arches bij elkaar staan. Net als bij de Natural Bridges waren het ook hier het water en de grote temperatuurverschillen die de zandsteensculpturen in dit park vormden. Balanced Rock, een grote rotsklomp die gracieus op een stenen sokkel balanceert, de dieprode Double-O Arch en de Landscape Arch (symbool van de Olympische winterspelen in Salt Lake City) zijn de verplichte nummers, en wie zijn wij om die te negeren? Na de vroege lunch kiezen we voor route 90 tot Ridgway, niet de Amerikaanse seriemoordenaar die ook wel bekendstaat als de Green River Killer, maar een dorpje net over de grens in Colorado dat figureerde in talrijke films, waaronder John Waynes western ‘True Grit’, en andere zoals ‘How the West Was Won’ en ‘Tribute to a Bad Man’. Het dorp van een paar straten groot ademt inderdaad de ideale westernfantasie: ‘eerst schieten, dan vragen stellen’. In de late namiddag gaat het dan in een loodrechte lijn door, naar wat het Zwitserland van de VS genoemd wordt, tot Durango. Waar ’s avonds in de hotelbar zes verschillende tv’s elk hun sportprogramma spuien en als grote aanrader steak ‘with a lot’ op het menu staat.

The American dream

Silver Bean in Cortez is zowel een attractie als een huis van vertrouwen. In een originele Airstreamcaravan uit 1969 serveren Kathy en haar vriendin Burry elke dag van half zeven in de ochtend tot ’s middags de betere lattes en cappuccino’s. Voor wie geen tijd heeft om even plaats te nemen op het kitscherige terras, dient het achterruitje als drive-in. Zo goed onze ochtend, zo teleurstellend de voormiddag. Het is te zeggen: het Four Corners Monument –daar waar de staten Utah, Colorado, New Mexico en Arizona mekaar raken- is een toeristenval van formaat. Officieel is het zelfs geen monument! Noem het een attractiepunt gebouwd door de Navajo-indianen (die de grond beheren) met de bedoeling zoveel mogelijk dollars uit de bezoekers hun zakken te slaan. Je kunt alleen cash betalen, niemand krijgt korting (zeer ongewoon in de VS, waar ouderen, mindervaliden en oorlogshelden overal reducties genieten) en het toegangsticketje lijkt wel op een vodje afgescheurd toiletpapier. Gelukkig maken de hordes toeristen het goed. Want iedereen wil namelijk een foto waar ze in één beweging de vier staten aanraken. Kortom, zie het als een zeer belachelijke spreidstand op handen en voeten, achterwerk in de lucht, een kiekje zoals in Pisa de scheve toren tegenhouden. We krijgen vanuit een totaal onverwachte hoek dan toch waar voor onze dollars.
Nee, dan is het namiddagprogramma van een ander formaat. Via de bloedmooie Route 163 bereiken we Monument Valley. Dit kleine park herbergt de bekendste postkaarten van de VS. Ook deze buurt diende als podiumdecoratie voor talrijke westerns en duikt ook nu nog regelmatig op in langspeelfilms. Het goede nieuws is dat we hier een ‘self-guided tour’ met de wagen mogen ondernemen, een uitgestippeld parcours dwars langs, onder en tussen de mooiste panorama’s van het park, want dit is kodak-zone! De valley drive, zoals het heet, is amper 27 kilometer lang maar duurt al snel twee uur. Het enige minpunt onderweg zijn de talrijke winkelkraampjes van de Navajo’s, die hun spulletjes aan de man proberen te brengen. Dat maakt het een beetje goedkoop, want de vergezichten zijn ronduit spectaculair. In de goudgele namiddagzon zetten we via Route 98 koers naar Page waar we, alvorens intrek te nemen in het hotel, een bezoek gereserveerd hebben aan de Antelope Canyon. Dit ondergronds spektakel is een van de talrijke zogenaamde sleufcanyons en staat steevast in de top 5 van de meest gefotografeerde natuurwonderen ter wereld. Er zijn drie zones en wij opteerden voor de kleinste, eentje waar je 400 meter kunt doorwandelen, na afgedaald te zijn tot vier meter onder de grond. Het wordt een hachelijke tocht door smalle gleuven, kloven, spleten en door lagen stof. Ook de talrijke insecten, vooral colonnes rupsen, zijn niet te ontlopen. Maar de ervaring is subliem, wat de pijn van het extreem dure inkomgeld van 60 dollar verzacht. Ook hier hebben de Navajo-indianen de touwtjes in handen en is snel rijk worden blijkbaar de bedoeling. Tien jaar geleden werd voor deze korte wandeling namelijk nog maar 10 dollar gevraagd.

Hittegolf inbegrepen

Page baadt in een hittegolf. Het is zeven uur ’s ochtends en de thermometer piekt reeds op 32 graden Celsius. “Het zal 44 graden worden vandaag”, zegt het baliemeisje in het prima Marriott Courtyard-hotel, opgetrokken in Tex-Mex Adobe-stijl. Na een bezoekje aan de Glen Canyon Dam, gebouwd in 1963, en Lake Powell (bekend van de woonboten) zetten we koers in westelijke richting. Uitzonderlijk, want in principe neemt zowat iedereen hier route 89 naar het zuiden. Nee, wij gaan niet naar de Grand Canyon wegens al gezien en te hoge verwachtingen. Eerlijk, we waren er enkele jaren geleden niet zo heel sterk van onder de indruk, ondanks alle jubelkreten over die legendarische kloof. Was het omdat we net voorheen de Fish River Canyon of Visriviercanyon in Namibië bezocht hadden? De op een na langste canyon ter wereld -na de Grand Canyon; circa 160 km lang, tot 27 km breed en tot 550 meter diep? Of waren het de toen net opgedoken artikels over de Grand Canyon Skywalk, een glazen constructie boven de kloof, een wandelweg in hoefijzervorm van 50 meter lang? Wat bleek: de Skywalk was gebouwd in een indianenreservaat, maar via een lease voor 99 jaar verpatst aan een Chinese Amerikaan die de belofte kreeg ook een casino te mogen bouwen. Tja, net iets te veel Disneyland denken we, dus opteren we voor Bryce Canyon in het noordwesten. Tenslotte: Hugo Claus gaf ooit in een interview te kennen dat toen medetoeristen over elkaar heen struikelden van ongeduld en enthousiasme om de Grand Canyon eindelijk met eigen ogen te kunnen aanschouwen, hij in de bus bleef zitten lezen en zelfs geen luie blik uit het raam wierp. Uit bovenstaande waargebeurde parabel trekken we niet het besluit dat lezen meer dan belangrijk is, maar wel dat hoge verwachtingen niet altijd ingelost worden wegens vaak overroepen. Nee, dan lijken we de juiste beslissing genomen te hebben wanneer we het minder platgelopen Bryce Canyon National Park doorkruisen, een geologische droomwereld van kleurrijke, onwereldse rotspieken. De dertien uitkijkpunten langs de doodlopende route mogen dan namen dragen waar de romantiek vanaf druipt zoals Sunrise Point, Sunset Point en Inspiration Point… de vlag dekt zeker de lading.
Route 12 -een slingerweg met wow-allures, dikwijls gebruikt door autoconstructeurs die hier hun commercials draaien brengt ons via Boulder tot het Capitol Reef Resort, ingeplant tegen de gelijknamige bergketen. Onder een briljante sterrenhemel wandelen we ’s avonds tot het tegenoverliggende Rim Rockrestaurant, waar de serveersters de pensioenleeftijd reeds lang overschreden hebben, maar de ribbetjes van de beste kwaliteit zijn. Tijdens het smakelijke etentje bemerken we: op ons bord ligt alles, voor ons ligt het grote niets.

Brandend zand

Death Valley, de vallei van de dood: het heeft een lugubere bijklank. De warmste plek van Noord-Amerika is voor vele reizigers een noodzakelijke bezienswaardigheid tussen Los Angeles en Las Vegas. Rijden en wegwezen. Ten onrechte. Onze eerste kennismaking met Death Valley is een verroest bord waarop te lezen staat dat er binnen duizend meter water voor je autoradiator beschikbaar is. Die tank staat er effectief, maar lijkt al een tijdje niet meer gebruikt. Voorzichtig draaien we aan het kraantje en al snel gutst het water in het zand, al maakt een sticker er ons attent op dat we er zeker niet mogen van drinken. We denken er nog niet aan. Een uur geleden zijn we nog gestopt in Shoshone, het laatste stukje bewoonde wereld voor de sauna van Death Valley, de brandende grond van oostelijk Californië waar iedere Amerikaan wel een verhaal over heeft, vooral zij die er nog nooit geweest zijn. In Shoshone word je verzocht je laatste inkopen te doen. We gooien de Lincoln vol, kopen een paar liter drinkwater en pikken ook het gefotokopieerde weerbericht op aan de receptie van het vervallen motel: vandaag maximum 39 graden, luchtvochtigheid beperkt, weinig wind en slechts tien procent kans op regen of onweer, staat er te lezen. Amerika zou Amerika niet zijn, moesten we ondertussen niet overstelpt worden met allerlei waarschuwingen. Of we echt voldoende water bijhebben, of we getankt hebben, of we een hoed en zonnemelk voorzien hebben, en of we eigenlijk wel zeker zijn dat we dwars door de woestijn willen rijden? Als we de bejaarde man achter de balie vertellen dat we er zelfs willen blijven, schudt hij traag het hoofd. Wie gaat er nu overnachten in een meedogenloze woestijn?

De natuur op haar dodelijkst

De Californische woestijn is eigenlijk het gebied waar drie woestijnen elkaar ontmoeten: de Mojave Desert (geheel in de staat Californië gelegen), de Sonora Desert (in Arizona en Californië) en het Great Basin, een uitgestrekte hoogvlakte die delen van Nevada, Utah, Oregon en Californië omvat. Ze beslaat in totaal meer dan honderdduizend vierkante kilometer en ligt in de regenschaduw van de Sierra Nevada en de San Bernardino Mountains. Death Valley is een 210 kilometer lange vallei en het heetste gebied in Noord-Amerika, met temperaturen die ’s zomers kunnen oplopen tot boven de 50 graden. Zulke klimatologische omstandigheden laten natuurlijk hun sporen na en wie via Highway 178 (de zuidelijke toegangsroute) Death Valley binnenrijdt, merkt al snel dat dit niet de tuinen van Babylon zijn. De rit naar het dal van de dood, gemiddeld vijftig meter beneden zeespiegel, doet denken aan een maanlandschap. Een woestenij van gescheurde modderbodems. Geen toeval dat ook E.T. hier in de buurt landde, meer bepaald in de San Fernando Valley, de achtertuin van Los Angeles. Zo ver is dat niet.

Zullen we stoppen?

In tegenstelling tot de meeste bestuurders houden we hier en daar halt. We stappen uit om de landschappen te bewonderen. Dat leidt tot hilariteit bij de andere chauffeurs. Constant toetert het voorbijvlammende verkeer, terwijl de chauffeurs met de vinger tegen het hoofd tikken. We zijn gek. Wie verlaat er hier nu zijn airco-gekoeld voertuig? Death Valley heeft haar naam te danken aan een horde kolonisten hier die in 1849 op zoek naar goud passeerden in de hoop een kortere weg te vinden. Maar ze waren verkeerd ingelicht. Alles wat ze vonden was zilte grond en de weinig opbeurende aanblik van de Panamint Mountains, met pieken boven de drieduizend meter die hen weg versperden. Omdat niemand voorbereid was op de extreme omstandigheden, overleefden man noch paard de tocht. Een legende was geboren. Intussen is het dal van de dood gepromoveerd tot nationaal park, en dat is maar goed ook. De imposante natuur is nu beschermd tegen bouwexploitatie, militaire oefeningen en onverantwoord toerisme. De status van nationaal park betekent ook dat ‘rangers’ een oogje in het zeil houden. Wie denkt de verlaten wegen te kunnen benutten als snelheidparcours, komt bedrogen uit. Aan zand en zon ontbreekt het niet in Death Valley. Aan verrassingen evenmin. Het is verbazingwekkend hoeveel er schuilgaat in de verblindende en door de wind gerimpelde landschappen. Van zoutmeren tot duinen, van regenbooggekleurde rotsen tot groene golfterreinen. Alleen de fauna is beperkt: behalve enkele onvermoeibare kevers en hittebestendige hagedissen houdt het woestijndierenrijk zich bij voorkeur ondergronds op. Alleen een buidelrat trekt er eens op uit, net als de ‘sidewinder’, een uitermate giftige ratelslang die zich zijwaarts kronkelend voortbeweegt. De belangrijkste hotspots in Death Valley hebben dan ook bijzonder suggestieve namen gekregen. Er is de ‘Devil’s Golf Course’ (het golfterrein van de duivel), de ‘Artist’s Drive’ (de weg van de kustenaar) en ‘Dante’s View’ (de uitkijk van Dante). Hoogte- en dieptepunten uit de geschiedenis van de mensheid, bijbel en pathos zijn schijnbaar te hulp geroepen om het ongenaakbare landschap onder woorden te brengen. Namen alsbezweringen, al lijkt ‘Badwater’ meer de humoristische toer op te gaan: het is het absolute, letterlijke dieptepunt van de VS, 94 meter onder de zeespiegel.

Gouden oase

In tegenstelling tot de gehaaste medemens houden we de eerste avond definitief halt in Furnace Creek, het centrale hart annex enige oase van de dodenvallei. We bezoeken het interessante visitor center en vleien ons neer aan het zwembad van het gelijknamige hotel. Furnace is een resort in de woestijn, een strandhotel zonder strand. Het is zes uur en de thermometer laat nog steeds 35 graden optekenen. ’s Avonds, wanneer de zon roodgloeiend de dag afsluit, nemen we het aperitief op het terras. Pas wanneer de nacht intreedt en de sterrenhemel zich duidelijk aftekent, daalt de temperatuur geleidelijk.

Gestaffeld landschap

De weinige wegen van Death Valley worden in de dagboeken van grote reizigers omschreven als ‘routes to remember’. We kunnen deze omschrijving bijtreden, die ochtend, op weg naar de noordelijke zone, alias The Racetrack. We hebben bij zonsopgang schitterend -en stevig- ontbeten met zicht op het fotogenieke Zabriskie Point en willen nu diep in de buik van Death Valley doordringen, een route die slechts weinige bezoekers aandurven, al is het maar omwille van het verkeersbord ‘4×4 verplicht’. Is dit de poort naar de hel? Uiteindelijk, na dertig kilometer en negentig minuten geknots en gebonk, staat de Lincoln terreinwagen plots te midden een waanzinnig landschap. De ene reisauteur noemt het “geologie in haar naakte essentie”, de andere “een plaats van surrealistische schoonheid”. Hoe dan ook: het landschap is uniek, en dat is goed nieuws voor de grote filmhuizen. Death Valley vormde ondertussen het decor voor meer dan honderd tv- en langspeelfilms. De bekendste titels zijn ‘Spartacus’ (1960), ‘Star Wars’ (1977), ‘The Hitcher’ (1986) en ‘The Doors’ (1991).
In de namiddag hebben we nog een verrassing voor ons voertuig: West Side Road, een zandweg met centraal verhoogd wegdek dwars door de uitgedroogde meren. Het is het walhalla van Death Valley. Hier een wagen kruisen, betekent met twee wielen de steile helling afgaan, verdomd lastig om niet te zeggen onmogelijk zonder 4×4. De Lincoln geeft geen krimp. Klasse.
De tweede en meteen laatste avond hebben we een bed voor de nacht besteld in Stovepipe Wells Village Hotel, een veredeld motel annex westernfantasie. Eerst schieten, dan vragen stellen? “Wat bezielt jullie toch”, blijft de goed doorvoede serveerster herhalen, ondertussen van haar flesje water nippend. We zeggen haar dat we echte reizigers willen zijn, geen toeristen. Dat we Death Valley willen voelen en proeven, niet vanachter de autoruit met de airco op twintig graden. Het zijn de verlossende woorden, spek naar haar bek, en ze wordt er zowaar lyrisch van. “Ooooh, …you’re absolutely right”. De dodenvallei laat ook mij nog bibberen en braden tegelijkertijd. Alsof ik alle dagen meespeel in een film”, zegt ze met veel zin voor dramatiek. In de verte klettert het langverwachte onweer.